autisme

Ik wil ook opscheppen!

IMG_3159Om hulp te krijgen in onze maatschappij, moet je benadrukken wat niet goed gaat.

En dat is jammer.

‘Ik kan niks!’

Als je ziek bent en hersteltijd nodig hebt, moet je bij herhaling vertellen wat je allemaal niet meer kan. Laat je per ongeluk vallen dat je nog veel schik hebt in het bijsnoeien van je rozen, staat er in je verslag plotseling: tuiniert. Tevens ben je per direct geschikt bevonden om per direct zwaar tilwerk te verrichten. Je kunt immers als een malle met die rozen aan de slag, dat zei je zelf.

De les is hier: ik kan maar beter niet zeggen wat ik wel kan.

‘Ik mankeer niks, maar ik kan ook niks.’

Sowieso geldt dat je, als je een uitkering nodig hebt, uitgebreid moet vertellen waarom je niet kunt werken. Alle belemmeringen moet je opnoemen, als je tenminste volgende maand je huur wilt betalen en niet in een eindeloze loop van schulden en kosten op schulden en meer schulden wilt geraken.

Dit alles zet mensen in een totaal verkeerde mind-set. Om je bestaanszekerheid op peil te houden, kan je maar beter niks kunnen. Maar om vooruit te komen, moet je van alles kunnen. Helaas begon je net zelf te geloven dat je niks kunt, omdat je dat net zes keer herhaald hebt tegen streng kijkende mensen.

In situaties waar de beleidsmedewerker of de begeleider wel het geduld en inzicht heeft om ‘dat kan ik’ niet te verwarren met: ‘dit kan ik meteen en zelfstandig’ zie je meteen een enorme vooruitgang. Rustig leren, proberen en het zelfbeeld weer opbouwen kost tijd, maar het werkt en het werkt op de lange termijn. Zo komen mensen van: ‘inderdaad, echt, ik kan niets’ naar: ‘ik heb nu even pech maar ik ga van alles kunnen’.

Kinderen die niks kunnen

Als het om onze kinderen gaat, doet dit systeem van ‘nadruk op wat niet goed gaat’ iets dat nog veel vervelender is.

Scholen hebben een signaleringsplicht. Ze nemen toetsen af, observeren gedrag en melden wat niet goed gaat. Daarover gaan de gesprekken, daarop wordt de ouder aangesproken, daarop wordt de leerling aangesproken. Wat wel goed gaat, is vaak maar een voetnoot in een rapport of gesprek, want dat het goed gaat is de vanzelfsprekendheid, het normaal.

Deze nadruk op het negatieve geeft kinderen een verkeerd zelfbeeld. Zie je wel, ik kan niet lezen, zie je wel, ik kan niet gymmen, zie je wel, ik heb geen vrienden.

Zorgkinderen

Ouders van kinderen waarover zorg bestaat worden nog vaker geconfronteerd met ‘herhaal nog eens wat niet goed gaat’.

Om in aanmerking te komen voor betaalde hulp moet je vertellen en herhalen, vertellen en herhalen, wat je kind allemaal niet kan. Op school, bij het cjg, eventueel in het behandelcentrum. Niet een keer, maar meerdere keren per jaar. Soms is er wekelijks een gesprek, dan weer met die, dan weer met die en allemaal met een zeker dwang erachter: herhaal nog eens wat niet goed gaat?

Doe je ze niet, draaien belangrijke raderen niet of stroef.

En regelmatig moet je ook tegen vrienden en familie vertellen wat niet lukt. Dit is nog niet goed, dat kan hij niet, daarin is ze nog niet gegroeid, helaas, dat uitje kan niet doorgaan want dat en dat en dat gaat nog niet.

Want als je iets positiefs zegt, zie je bij mensen de opluchting in de ogen: altijd al gedacht dat het wel meeviel, dus voortaan kunnen jullie met alles weer meedoen, toch? Hoezo niet.

Hoho, denk je dan nog, alleen dat ene ding ging goed, de rest heeft nog wat hulp nodig!

Geen risico nemen

Hulp is vaak hard nodig. Hoeveel zorg-ouders huilen voor ze in slaap vallen? Van vermoeidheid, van machteloosheid, vol zorgen over de toekomst? Hoeveel kinderen huilen, omdat ze niet meer weten hoe het verder moet, omdat ze zoveel zorgen hebben?

‘Als ik geen goede baan krijg, krijg ik ook geen goede stoel en als ik geen goede stoel krijg heb ik straks elke dag rugpijn,’ zei Oudste, naar aanleiding van de opmerking van een leraar die neerkwam op ‘Nou, nou, jij moet nog heel veel leren voor het wat wordt.’ Oudste heeft autisme en neemt zo’n opmerking heel letterlijk. Hij heeft geen idee wat dat ‘heel veel’ dan is, dus dan kan hij dat ook niet leren, dus dan wordt het niks.

Een negatieve mind set gooit veel meer op slot dan het opent.

Indirecte kritiek

Ook als het kind niet direct bij de gesprekken aanwezig is, voelt het dat het tekort schiet. Als alle zorgverleners en leerkrachten uit een gesprek stappen met de gedachte ‘het wordt niks met dit waardeloze kind’ dan doet dat iets met de manier waarop het waardeloze kind de komende tijd behandeld wordt.

Zelfs als ouder trap ik wel eens in die valkuil.
‘Je moet nu toch echt aan je concentratie werken.’
‘We moeten toch een truc verzinnen waardoor jij in bus durft.’
‘Kan je niet gewoon …’

Waar ben ik dan mee bezig? We hadden dat zorggesprek toch omdat er niets niet gewoon ging? Als het gewoon ging, dan was er geen probleem! En het gaat echt niet ineens ‘wel gewoon’ omdat wij er even over gepraat hebben en besloten hebben dat er iets ‘ongewoon’ is.

De nadruk leggen op het positieve kan niet

Je houdt dus geen zorggesprek om samen te bepreken hoe goed het gaat, dat is duidelijk. En je kind knapt er niet van op als het alleen maar gaat over het negatieve. De ouder/verzorger knapt er trouwens ook niet van op. Nooit iets leuks over je kind kunnen zeggen is dus verschrikkelijk.

Ouders van ‘normale’ kinderen kunnen opscheppen wat ze willen en doen dat ook met veel plezier. Die van mij kan dit al, die van mij kan dat al, die van mij haalt allemaal tienen, die van mij haalde A voor zwemmen toen ze vier was, die van mij verkocht op zijn achtste limonade aan het hele dorp. Elke week wordt hij minstens twee keer op een feestje gevraagd. O, en hij lust alles en kan wel 4 uur stil zitten in een duur restaurant, zo leuk.

Opscheppen, dat willen zorg-ouders ook!

Over dat lieve, pure. Over hoe het toch lukte die veter te strikken. Over eindelijk dat A diploma. Over hoe hij knap zichzelf Russisch leert, of Japans. Over hoe mooi ze kan tekenen. Over hoe netjes ze gisteren at. Hele bordje leeg.

Over hoe hij een ander kindje hielp. Over hoe lief hij het speeltje teruggaf aan de baby.  Over hoe stil en rustig dat caviaatje werd toen hij op schoot mocht en werd geaaid.

Over hoe lief hij voor zijn broertje is.
Over hoe leuk ze met een vriendinnetje speelde.

Dat heeft dan misschien niets te maken met hoe goed het kind het op school doet, of het al kan lezen, of het al een uur op een stoel kan zitten en of het in staat is abstract gegeven opdrachten te vertalen naar concreet handelen. Maar het is goed. Voor de ouders en voor de kinderen.

Zachtheid

Je kijkt anders, zachter naar kinderen waarover net iets fijns gezegd is. De kinderen voelen de warmte net zo hard als ze de afwijzing voelen.

Ze voelen het ook als hun ouders uit een hulpgesprek komen met een positief gevoel. Er gaat van alles mis, maar er gaan ook dingen goed. Er is hoop en jij bent lief en je mag er zijn.

Het laatste rondje

Bij mijn kinderen gaat eigenlijk alles mis, als je ze tenminste in de mal van een normaal opvoedboek en een normaal studiepatroon wilt persen. Daar kan je heel veel negatieve dingen over zeggen. En ja, die dingen moeten ook benoemd worden.

Maar ik wil ook opscheppen! Daarom vroeg ik ook heel lang of iedereen aan het einde van een zware moeilijk, moeilijk vergadering iets positiefs over het kind in kwestie wilde zeggen. En er bleek altijd wel iets te zijn. Iets grappigs, iets liefs, iets dat ze juist wel heel goed konden, dat ene momentje dat.

En dat was heerlijk. Dan ga je toch heel anders uit elkaar.

Ik vraag het nu niet meer omdat ik inmiddels het vertrouwen heb dat je gerust iets positiefs kan zeggen, ook midden in een gesprek, maar soms, als er nieuwe mensen aanschuiven, moet ik toch weer even bewust terug naar: benoem ook wat goed is.

Oefenen

Niet iedereen is meteen goed in deze aanpak. Sommige mensen snapten het niet helemaal waarom ik dat nou wilde, konden zo snel niks bedenken, hadden een andere definitie van leuk en positief dan ik of wisten er toch een maar achteraan te proppen. 

Maar daar zei ik verder niks van. Die ‘maar’ is de gewenning aan ‘praten over het negatieve’, die andere definitie is gewoon een kwestie van smaak. Als ik je overval met mijn vraag is het logisch dat je niks kan bedenken en aan iets positiefs in een moeilijk zorg of schoolgesprek is niet iedereen gewend. ‘Neem je het nu nog wel serieus,’ vroeg iemand me zelfs eens. ‘Want we hebben echt een probleem, dat weet je toch?’

En of ik dat weet. Geen zorgen. Ik weet dat ik schoenen draag, ik weet wat de kleur van mijn ogen is en ik weet dat de jongens autisme hebben en dit er de oorzaak van is dat heel veel ‘niet goed’ als in ‘niet volgens de boekjes’ gaat. Wil ik het ook zeker met je over hebben. Als jij het met mij over de positieve kanten wilt hebben.

Het ging mij altijd voornamelijk om de poging, om het idee, om toch even dat hoofd te draaien naar alles wat wel lukt, wat mooi en krachtig is.

Naar iets positiefs.
Naar iets om over op te scheppen.

 

5 gedachten over “Ik wil ook opscheppen!

  1. Heel herkenbaar. Het afschuwelijk om altijd (of het nou over jezelf gaat of over je kind), alles wat niet goed gaat te moeten benoemen. Mijn tweede keukentafel gesprek 6 weken geleden was zo zwaar dat toen de damen van de gemeente weg was, ik in tranen uitbarstte.

    Like

    1. Oi, dat vind ik echt heel verdrietig.
      Ik herken het helaas ook.
      Vooral de verbazing en het onderliggende wantrouwen wat spreekt uit vragen als (ik noem maar een voorbeeld): ‘Dus hij kan echt niet zelf zijn haar wassen?’.

      De verbazing maakt dat je nog eens met je neus op het feit gedrukt wordt hoe groot de achterstand is en het wantrouwen maakt dat je als een gek gaat piekeren: “Kan hij het misschien wel? Hij kan zelf de shampoo vasthouden? Of uitkiezen? Ja, hij kan wel met zijn handen bij zijn hoofd, moedig ik hem niet genoeg aan of zo, doe ik het fout?”

      Al die emoties.

      Terwijl je niet kunt zeggen: ‘Nou, laatst verraste hij me en haalde hij zelf zijn hand door de shampoo! Hij schrok ervan maar hij vond het ook leuk. Dus wie weet was dat een stapje vooruit.’
      Want voor hetzelfde geld staat er dan in het verslag: kind kan zelfstandig douchen.
      Maar dat is eigenlijk wel wat je zou willen zeggen. Daar ben je trots op. En terecht.

      Geliked door 1 persoon

      1. Precies. Wij konden onze zoon bijvoorbeeld toen hij een jaar of 14 was ook niet alleen thuis laten. Leg dat maar eens uit. ‘Nee hij eet dan niet’, hij drinkt wel ja, alleen pakjes appelsap die hij opspaart in bergen bovenop zijn bureau’.

        Like

        1. Dat ik zelf in de woelige tijden bij ons graag ook gekunt. En wat je schrijf. We moeste laatst voor het eerst bij de WMO beschermd wonen aanvragen 24/7. Mijn partner kon het telefonisch, maar het was ook weer erg zwaar. Terwijl wij trots zijn op elk klein stapje dat hij maakt! Dat het niet de standaard is, maakt het niet minder. Hij groeit enorm qua inzicht en hij voelt zich goed. En wij zijn heel gelukkig.

          Like

Laat een reactie achter op mijn autisme Reactie annuleren

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s