autisme

De eerste horde: geschiedenis. Of toch Nederlands?

 

nXZ5OwY

Jongste gaat naar de brugklas van het speciaal onderwijs en we wisten allemaal van tevoren dat het geen makkie zou worden. Jongste is slim, hij heeft snelle hersenen en leert makkelijk.

Maar hij heeft ook autisme en niet zo’n beetje ook.

Ik verwachtte dus problemen

met overprikkeling, weglopen, niet meer bereikbaar zijn of een enorme terugval in vaardigheden.

De terugval is er: hij kan niet meer in zijn eentje in slaap komen en heeft meer hulp nodig bij persoonlijke verzorging. Maar dat is een kleine terugval die hij vast snel inhaalt.

De overprikkeling is er, maar de klas is heerlijk rustig en de leerkracht is helemaal zen: hij blijft bereikbaar en is nog niet weggelopen.

Het probleem kwam uit onverwachte hoek: geschiedenis.

Eigenlijk een van zijn favo-vakken. Maar telkens als het geschiedenisboek op tafel kwam, begon Jongste raar te doen. Het ene moment maakte hij nog redelijk tevreden zijn huiswerk rekenen of biologie, het volgende lag hij op de bank en maakte een forse hoeveelheid geluidjes. Voor de eerste mini-mini-om-te-oefenen-heel-makkelijke-toets geschiedenis was hij zelfs ziek. Vreselijke hoofdpijn.

Omdat de leerkracht net had aangegeven dat ook de eerste toets Nederlands een lastige start had,

was mijn eerste indruk

dat hij het idee van een toets griezelig vond.

Maar nu was er geen toets en hij deed toch raar. Ik overwoog of hij misschien

geen zin had in huiswerk.

Maar hij had net zonder mokken al zijn rekensommen gemaakt. En hij was verder nog vrolijk.

Ik stelde een heel makkelijke vraag over Egypte: waarom is het bijzonder dat mensen krokodillen kleren aantrekken? Ik zag hem worstelen en het kwartje viel zo hard naar beneden dat ik er nog hoofdpijn van heb. In zijn hoofd zaten de plaatjes van de oplossing, maar hij kon het niet omzetten in woorden.

Ik vroeg hem ernaar.

‘Ja,’ zei hij boos. ‘Ik weet het wel, maar het komt niet hier.’

Hij sloeg boos op zijn mond, terwijl hij hier zei.

Ik piekerde er de hele nacht over.

Waarom niet? Waarom lukt het hem wel bij biologie en niet bij geschiedenis?

Hulp kwam in de vorm van Marieke Haijkens,

docent Geschiedenis en Nederlands op het VO. Ze legde heel helder uit hoe geschiedenis op het VO geen kwestie is van feiten-kennen, maar van taal. Veel kinderen halen in de brugklas ineens geen goede cijfers meer voor geschiedenis, omdat het vak speciale taalvaardigheden vraagt. ‘Je moet eerst de vraag snappen,’ legde ze uit. ‘Dan ontdekken welke informatie uit de tekst je nodig hebt. En daar een zin van maken.’

Duidelijker kan het niet.

Tekst lezen en dan antwoorden formuleren vanuit die tekst en ook nog laten zien dat je iets geïnterpreteerd hebt, is iets teveel gevraagd voor een kind dat nog maar een paar jaar de woorden die hij nodig heeft voor een simpele vraag als: ‘Mag ik drinken?’ kan vinden.

Nu wist ik dat ik op de goede weg was met mijn probleem-analyse. Het probleem zit niet bij geschiedenis, maar bij taal. Hoe vaak maakt Jongste nou eigenlijk een echte, mooie volzin?

Samen met Marieke liep ik na wat we

met logopedie

allemaal bereikt hadden.

  • De eerste woorden leerde hij via plaatjes. Huis, boom, poes.
  • Toen herhalen: dit is ook een huis en dit ook en dit ook.
  • En daarna specificeren: dit is een poes, dat is een hond.
  • Daarna meer abstracte woorden: op onder in over.
  • En toen de werkwoorden, ook weer met plaatjes. Dat was lastig, voor werkwoorden zijn de plaatjes minder duidelijk.

Na die eerste, vroege logopedie kon hij ons verstaan maar niet zelf praten. Je woordenschat en

de manier waarop die woorden bij je mond komen,

wordt aangestuurd door verschillende delen van de hersenen. De slag daartussen moest hij zelf ontwikkelen en dus moesten we wachten tot hij tien was voor we zijn eigen stemmetje hoorden. In de tussentijd echode hij zinnen van anderen, inclusief klank en intonatie.

Vorig jaar, toen hij twaalf was, pakte een nieuwe logopediste het proces weer op.

Ze hielp hem met woordvinding:

hoe kies je een woord uit alle woorden in je hoofd en stuur je het naar je mond. Thuis oefenden we ook vaak. Het lukte goed en we waren er erg blij mee, want het zorgde voor minder loze geluidjes. Maar, zo ontdekte ik toen Marieke nog even doorvroeg, we oefenden nauwelijks op de werkwoorden.

‘Okey,’ zei Marieke, ‘dat maakt formuleren lastig. Want dan mist hij de woorden waarmee hij een zin kan lijmen, zeg maar.’

De lijm tussen de zinnen: de werkwoorden.

Daar, dat is een plan. We moeten dus woordvinding oefenen met werkwoorden, zodat hij die makkelijker kan vinden in zijn hoofd.

Marieke en ik verzonnen

een paar spelletjes,

die we eerst thuis op papier met hem oefenen, maar daarna ook onderweg uit het hoofd kunnen doen. Ik ga ze uitwerken en ze samen met een begeleider aanbieden. En dan is het afwachten. Hebben we het goed gezien? Zullen de oefeningen hem helpen? Kan hij straks makkelijker de zin maken die bij de plaatjes in zijn hoofd past?

Wat bij autisme nodig is, is geduld.

Geduld en volharding. Ook als je niet zeker weet of je het juiste probleem aanpakt. Ook als je niet meteen resultaat ziet. Goede ondersteuning is daarbij van levensbelang. Dank je wel, Marieke!

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s